| |
| Ook waren er, zoals Theo Wolvecamp, die nieuwe wegen
insloegen die zouden leiden tot experimentele en abstracte kunst. Jan
van der Leest schilderde dus figuratief. Hij probeerde portret, figuur
en stilleven, maar het best lag hem het landschap in al zijn
verschijnings- vormen. Hij vond zijn motieven aanvankelijk vooral in de
naaste omgeving. De bossen en velden rond Hengelo, allerlei hoekjes in
de (gebombardeerde en dus niet echt 'mooie') stad en alles wat met de
spoorwegen te maken had. Een spoordijk, een station, een trein in de
verte. En daarmee komen we bij de benenwagen. Jan moest in die tijd
alles te voet doen, terwijl hij hunkerde naar nieuwe landschappen,
nieuwe steden, nieuwe beelden. Ziedaar de achtergrond van waaruit de
grote hoeveelheid van schilderijen en tekeningen rond het thema
spoorwegen in het oeuvre van Jan van der Leest te verklaren is : het
beperkend karakter van de benenwagen.Wie de schilderijen nu ziet kan
iets meevoelen van de belofte die schuilging in het spoorwegnet van de
jaren vijftig. Auto's waren er nog niet zoveel en de wegen lieten te
wensen over, maar het spoor ! Toen de oorlogsschade hersteld was, lag de
wereld weer open. Het gevoel de vrijheid te hebben daar gebruik van te
maken. |
| |
 |
|
Elk schilderij van een
station, spoordijk of trein bergt gevoelens van verlangen in zich. Jan
van der Leest schildert dat verlangen met een dromerig palet in een
mysterieuze atmosfeer. De spoorweghistoricus wordt waarschijnlijk weinig
wijzer van deze schilderijen. Het gaat werkelijk om de beleving : de
ruimte die zich opent, de vrijheid die zich laat kennen. Men kan deze
spoorwegschilderijen als een aparte vorm van landschapskunst beschouwen.
Niet alleen het landschap en de daarin door de mens aangebrachte
voorzieningen zijn aan de orde, ook de mogelijkheid om door het
landschap te reizen wordt geopperd. |
| |
| Met andere woorden : de schilder geeft de
kijker een zetje in de richting van een eigen verbeelding. Hij lijkt de
kijker aan te sporen op reis te gaan door het landschap en zelf te
bedenken wat daarna komt, wat achter de horizon ligt. Treinen,
spoordijken en stations bestonden al honderd jaar en het zou dwaas zijn
te veronderstellen dat dat gegeven aan de aandacht van de schilderkunst
ontsnapt zou zijn. Er bestaan dus wel meer schilderijen rond dit thema.
De bekendste zijn ongetwijfeld van de hand van Claude Monet, de beroemde
Franse schilder aan wie we het impressionisme te danken hebben. Omdat
Jan van der Leest nauwelijks geschoold was en er bovendien in die tijd
niet zoveel kleuren- reproducties waren, heeft hij dat werk aanvankelijk
waarschijnlijk niet gekend. Jan van der Leest schildert dat verlangen
met een dromerig palet in een mysterieuze atmosfeer. De
spoorweghistoricus wordt waarschijnlijk weinig wijzer van deze
schilderijen. Het gaat werkelijk om de beleving : de ruimte die zich
opent, de vrijheid die zich laat kennen. Men kan deze
spoorwegschilderijen als een aparte vorm van landschapskunst beschouwen.
Niet alleen het landschap en de daarin door de mens aangebrachte
voorzieningen zijn aan de orde, ook de mogelijkheid om door het
landschap te reizen wordt geopperd. |
| |
| Met andere woorden
: de schilder geeft de kijker een zetje in de richting van een eigen
verbeelding. Hij lijkt de kijker aan te sporen op reis te gaan door het
landschap en zelf te bedenken wat daarna komt, wat achter de horizon
ligt.Treinen, spoordijken en stations bestonden al honderd jaar en het
zou dwaas zijn te veronderstellen dat dat gegeven aan de aandacht van de
schilderkunst ontsnapt zou zijn. Er bestaan dus wel meer schilderijen
rond dit thema. De bekendste zijn ongetwijfeld van de hand van Claude
Monet, de beroemde Franse schilder aan wie we het impressionisme te
danken hebben. Omdat Jan van der Leest nauwelijks geschoold was en er
bovendien in die tijd niet zoveel kleurenreproducties waren, heeft hij
dat werk aanvankelijk waarschijnlijk niet gekend. |
|
 |
| |
| In elk geval
herkende hij dat werk niet uit directe waarneming. Dat blijkt wel uit
het verhaal dat Theo Wolvecamp vertelde nadat zij samen naar Parijs
geweest waren. Daar troffen zij in een museum dat beroemde schilderij
Gare Saint Lazare van Monet, waarop te zien is hoe juist een trein
stomend en puffend de grote stationsoverkapping binnenrijdt. Toen Jan
het zag moet hij wel drie kwartier zijn blijven kijken om vervolgens te
verzuchten : "Dit schilderij had ik 15 jaar eerder moeten zien". Het was
hem een absolute openbaring ! Natuurlijk moeten we dit soort anekdotes,
die nog tot ver na zijn dood door zijn vrienden verteld worden, met een
korreltje zout nemen. Maar toch. Een kunstenaar is in principe alleen
met zijn doek, zijn verf en penselen. Jan schetste wel buiten, en soms
zette hij zijn ezel op een pleintje en werkte dan in de schijnwerpers
van de toevallige passant, maar in grote lijnen kwam ook zijn werk in de
beslotenheid en eenzaamheid van het atelier tot wasdom. Als het werk dan
op een expositie aan de openbaarheid wordt prijsgegeven, maakt het
opeens deel uit van de kunstproductie van eeuwen. Een geschoold
kunstenaar heeft op de academie geleerd zich te verhouden tot dat totaal
en heeft zijn positie in het grote geheel leren bepalen. Jan van der
Leest was autodidact. |
| |
 |
|
Hij had zichzelf
het vak geleerd en wat hij van dat grote totaal van de kunst en
kunstgeschiedenis wist, had hij opgedaan door gesprekken met andere
kunstenaars, zoals The Wolvecamp, Riemko Holtrop, Bob Stork-Damen en
Fritz Spitz, die stuk voor stuk de gelegenheid hadden gehad letterlijk
en figuurlijk verder dan alleen het eigen atelier te kijken. Jan moest
het doen met sterk gefragmenteerde kennis. Nu is het natuurlijk ook zo
dat iedere kunstenaar moet woekeren met zijn mogelijkheden en
beperkingen. Jan heeft dat beslist bewonderenswaardig gedaan. Hij heeft
zich bekwaamd in het ambacht. Hij heeft zich ook verdiept in vormen van
experiment, met name op het gebied van grafische technieken. |
| |
| Hij heeft gereisd
zoveel als hij kon. Hij heeft
landschappen en stadsgezichten in verschillende provincies van ons land,
in Duitsland, Zwitserland, België en Frankrijk met aandacht en liefde
bekeken, getekend en geschilderd. Als hij over zijn werk praat, zo
blijkt uit diverse interviews, geeft hij aan dat de emotie die de plek
voor hem oproept voornamelijk in de atmosfeer besloten ligt, deze wil
vastleggen om daarmee de emotie aan de kijker over te dragen. Door de
verf te laten spreken, het licht te laten twinkelen en de kleuren te
laten werken lukt het hem keer op keer een bijzondere atmosfeer te
vangen. Zodat je kunt zeggen dat hij, letterlijk en figuurlijk, bij
ontstentenis van ander vervoer welgemoed en gepassioneerd de benenwagen
nam. |
| |
|