De benenwagen nemen.

Dat is zo'n ouderwetse uitdrukking die je niet vaak meer hoort. Maar voor Jan van der Leest, die opgroeide tussen beide wereldoorlogen, zat er meestal niet veel anders op. Hij was een zwerver in hart en nieren, nieuwsgierig naar de wereld achter de horizon. Hij wilde dolgraag reizen en deed dat dus met de middelen die hem ter beschikking stonden. Soms liftend met de plaatselijke vrachtrijder, soms meerijdend in de auto van een meer bemiddelde vriend, soms, als hij wat geld had, met de trein. Meestal echter was het de benewagen die hem bracht waar hij wilde zijn, hoewel hij later in zijn leven het genoegen beleefde een motorfiets te bezitten en nog wat later in zo'n BMW-Isetta reed. Wie was deze Jan en waarom die nadruk op de benenwagen? Dat lukte en daarbij moet je bedenken dat na de Tweede Wereldoorlog de mensen hongerden naar cultuur. Vanuit de politiek was er dan ook veel positieve aandacht voor kunst en cultuur.

Er kwam zelfs een speciale regeling waarbij kunstenaars een toelage kregen in ruil voor werk. Op die manier hoopte de regering dat het beroep van kunstenaar weer aanzien kreeg, dat veel mensen kunst zouden gaan kopen en dat er een bloeiend kunstklimaat zou ontstaan. Dat zou helpen de ellende van de†oorlog te vergeten en de bevolking 'geestelijk weerbaar' te maken. Zo kwam het dat Jan van der Leest, samen met Theo Wolvecamp, vanaf 1954 officieel als kunstschilder met uitkering in de gem.Hengelo werkzaam was. De gemeente kocht regelmatig werk zodat de gemeentelijke collectie nu een flink aantal werken van beide schilders, de een traditioneel, de ander expirimenteel, bevat. De stijl die Jan zich aangewend had was namelijk een tikje ouderwets. Dat was wel logisch, want een echte opleiding had hij niet gehad.

Eigenlijk borduurde hij voort op het werk van die oudere Veluwse schilder Jack Hamel, die weer als een late vertegenwoordiger van de Haagse school, en daarmee van het Hollands impressionisme, beschouwd wordt. De meeste andere schilders in de jaren vijftig voelden zich meer aangetrokken tot de veel heftiger vormen en kleuren van het expressionisme. Ook waren er, zoals Theo Wolvecamp, die nieuwe wegen insloegen die zouden leiden tot experimentele en abstracte kunst. Jan van der Leest schilderde dus figuratief. Hij probeerde portret, figuur en stilleven, maar het best lag hem het landschap in al zijn verschijnings- vormen. Hij vond zijn motieven aanvankelijk vooral in de naaste omgeving.


De bossen en velden rond Hengelo, allerlei hoekjes in de (gebombardeerde en dus niet echt 'mooie') stad en alles wat met de spoorwegen te maken had. Een spoordijk, een station, een trein in de verte. En daarmee komen we bij de benenwagen. Jan moest in die tijd alles te voet doen, terwijl hij hunkerde naar nieuwe landschappen, nieuwe steden, nieuwe beelden. Ziedaar de achtergrond van waaruit de grote hoeveelheid van schilderijen en tekeningen rond het thema spoorwegen in het oeuvre van Jan van der Leest te verklaren is : het beperkend karakter van de benenwagen.Wie de schilderijen nu ziet kan iets meevoelen van de belofte die schuilging in het spoorwegnet van de jaren vijftig. Auto's waren er nog niet zoveel en de wegen lieten te wensen over, maar het spoor ! Toen de oorlogsschade hersteld was, lag de wereld weer open. Het gevoel de vrijheid te hebben daar gebruik van te maken.

Elk schilderij van een station, spoordijk of trein bergt gevoelens van verlangen in zich. Jan van der Leest schildert dat verlangen met een dromerig palet in een mysterieuze atmosfeer. De spoorweghistoricus wordt waarschijnlijk weinig wijzer van deze schilderijen. Het gaat werkelijk om de beleving : de ruimte die zich opent, de vrijheid die zich laat kennen. Men kan deze spoorwegschilderijen als een aparte vorm van landschapskunst beschouwen. Niet alleen het landschap en de daarin door de mens aangebrachte voorzieningen zijn aan de orde, ook de mogelijkheid om door het landschap te reizen wordt geopperd. Met andere woorden : de schilder geeft de kijker een zetje in de richting van een eigen verbeelding. Hij lijkt de kijker aan te sporen op reis te gaan door het landschap en zelf te bedenken wat daarna komt, wat achter de horizon ligt.

Treinen, spoordijken en stations bestonden al honderd jaar en het zou dwaas zijn te veronderstellen dat dat gegeven aan de aandacht van de schilderkunst ontsnapt zou zijn. Er bestaan dus wel meer schilderijen rond dit thema. De bekendste zijn ongetwijfeld van de hand van Claude Monet, de beroemde Franse schilder aan wie we het impressionisme te danken hebben. Omdat Jan van der Leest nauwelijks geschoold was en er bovendien in die tijd niet zoveel kleuren- reproducties waren, heeft hij dat werk aanvankelijk waarschijnlijk niet gekend. Jan van der Leest schildert dat verlangen met een dromerig palet in een mysterieuze atmosfeer.

De spoorweghistoricus wordt waarschijnlijk weinig wijzer van deze schilderijen. Het gaat werkelijk om de beleving : de ruimte die zich opent, de vrijheid die zich laat kennen. Men kan deze spoorwegschilderijen als een aparte vorm van landschapskunst beschouwen. Niet alleen het landschap en de daarin door de mens aangebrachte voorzieningen zijn aan de orde, ook de mogelijkheid om door het landschap te reizen wordt geopperd.

Met andere woorden : de schilder geeft de kijker een zetje in de richting van een eigen verbeelding. Hij lijkt de kijker aan te sporen op reis te gaan door het landschap en zelf te bedenken wat daarna komt, wat achter de horizon ligt.Treinen, spoordijken en stations bestonden al honderd jaar en het zou dwaas zijn te veronderstellen dat dat gegeven aan de aandacht van de schilderkunst ontsnapt zou zijn. Er bestaan dus wel meer schilderijen rond dit thema. De bekendste zijn ongetwijfeld van de hand van Claude Monet, de beroemde Franse schilder aan wie we het impressionisme te danken hebben. Omdat Jan van der Leest nauwelijks geschoold was en er bovendien in die tijd niet zoveel kleurenreproducties waren, heeft hij dat werk aanvankelijk waarschijnlijk niet gekend.

In elk geval herkende hij dat werk niet uit directe waarneming. Dat blijkt wel uit het verhaal dat Theo Wolvecamp vertelde nadat zij samen naar Parijs geweest waren. Daar troffen zij in een museum dat beroemde schilderij Gare Saint Lazare van Monet, waarop te zien is hoe juist een trein stomend en puffend de grote stationsoverkapping binnenrijdt. Toen Jan het zag moet hij wel drie kwartier zijn blijven kijken om vervolgens te verzuchten : "Dit schilderij had ik 15 jaar eerder moeten zien".

Het was hem een absolute openbaring ! Natuurlijk moeten we dit soort anekdotes, die nog tot ver na zijn dood door zijn vrienden verteld worden, met een korreltje zout nemen. Maar toch. Een kunstenaar is in principe alleen met zijn doek, zijn verf en penselen. Jan schetste wel buiten, en soms zette hij zijn ezel op een pleintje en werkte dan in de schijnwerpers van de toevallige passant, maar in grote lijnen kwam ook zijn werk in de beslotenheid en eenzaamheid van het atelier tot wasdom. Als het werk dan op een expositie aan de openbaarheid wordt prijsgegeven, maakt het opeens deel uit van de kunstproductie van eeuwen. Een geschoold kunstenaar heeft op de academie geleerd zich te verhouden tot dat totaal en heeft zijn positie in het grote geheel leren bepalen. Jan van der Leest was autodidact.

Hij had zichzelf het vak geleerd en wat hij van dat grote totaal van de kunst en kunstgeschiedenis wist, had hij opgedaan door gesprekken met andere kunstenaars, zoals The Wolvecamp, Riemko Holtrop, Bob Stork-Damen en Fritz Spitz, die stuk voor stuk de gelegenheid hadden gehad letterlijk en figuurlijk verder dan alleen het eigen atelier te kijken. Jan moest het doen met sterk gefragmenteerde kennis. Nu is het natuurlijk ook zo dat iedere kunstenaar moet woekeren met zijn mogelijkheden en beperkingen. Jan heeft dat beslist bewonderenswaardig gedaan. Hij heeft zich bekwaamd in het ambacht. Hij heeft zich ook verdiept in vormen van experiment, met name op het gebied van grafische technieken.Hij heeft gereisd zoveel als hij kon. Hij heeft landschappen en stadsgezichten in verschillende provincies van ons land, in Duitsland, Zwitserland, BelgiŽ en Frankrijk met aandacht en liefde bekeken, getekend en geschilderd.

Als hij over zijn werk praat, zo blijkt uit diverse interviews, geeft hij aan dat de emotie die de plek voor hem oproept voornamelijk in de atmosfeer besloten ligt, deze wil vastleggen om daarmee de emotie aan de kijker over te dragen. Door de verf te laten spreken, het licht te laten twinkelen en de kleuren te laten werken lukt het hem keer op keer een bijzondere atmosfeer te vangen. Zodat je kunt zeggen dat hij, letterlijk en figuurlijk, bij ontstentenis van ander vervoer welgemoed en gepassioneerd de benenwagen nam.